Theorie

Doodsbegrip

 

 

Wat de dood in een concrete en nabije situatie voor een kind betekent, is afhankelijk van verschillende factoren van zowel emotionele als cognitieve aard. Allereerst gaat het erom hoe belangrijk de overleden persoon was voor het kind. Daarnaast is het van belang welke cognitieve stappen een kind inmiddels in zijn ontwikkeling heeft gezet. Een derde factor is de persoonlijkheid van het kind. Verder is de individuele leefsituatie van het kind belangrijk, inclusief de dingen die het inmiddels al heeft meegemaakt (ziekte, verhuizingen, langdurige scheidingen, eerdere sterfgevallen). Een laatste punt is het communicatiepatroon waaraan het binnen het gezin gewend is geraakt.

 

Gedurende het gehele leven gaan we heen en weer tussen datgene wat we willen geloven en datgene wat we op een bepaald moment wel weten, maar lang niet altijd waar willen laten zijn. Dit zou kunnen betekenen dat een kind de cognitieve stappen gezet kan hebben, nodig om zich een duidelijk beeld te vormen van wat het betekent om dood te zijn, maar dat, afhankelijk van individuele factoren als de leeftijd en de leefsituatie, het kind deze kennis op bepaalde momenten wel en op andere niet vast kan houden. Het kind kan bij voorbeeld heel duidelijk zeggen dat hij Prins Bernhard nůůit meer zal zien omdat hij dood is, maar volgende week zich afvragen wanneer opa (die ook dood is) nou toch weer op bezoek zal komen.

 

We zien vaak onsterfelijkheidsfantasieŽn rond de leeftijd waarop het kind 'ik' gaat zeggen, tussen 2 en 3 jaar . Het kleine kind koestert fantasieŽn van almachtig zijn, ook tegenover de dood. Dergelijk magisch denken kan ook nog wel in de puberteit voorkomen. Afzien hiervan is een noodzakelijke stap die het kind moet zetten in het rijpingsproces. Voor het kleine kind is het in feite ondenkbaar dat z'n geliefde moeder of vader voorgoed is verdwenen.

 

Het kind tot ongeveer 5 jaar, klampt zich vast aan het idee dat de scheiding slechts tijdelijk is.

De dood wordt niet als iets definitiefs begrepen, het lijkt meer op een verre reis, een heel diepe slaap. Een tijdelijke afwezigheid of een voorbijgaande toestand, zo stelt het kind op deze leeftijd zich de dood voor .

Zes- tot negenjarigen beseffen dat de dood definitief is, maar hebben er vaak angstwekkende voorstellingen van.

Kinderen ouder dan negen jaar accepteren over het algemeen de dood als onherroepelijk en onvermijdelijk.

 

Het doorlopen van de rouwtaken geeft ook inzicht in hoe het doodsbegrip verloopt.

 

Leeftijd en rouwen

Over het algemeen kunnen we aannemen dat een kind tot 2 jaar nog geen begrip van de dood heeft. Een kind is wel sterk gehecht aan zijn verzorgers. Het kind zal verdrietig zijn bij een scheiding van de ouder en zoekgedrag vertonen. Hij zal laten merken dat hij van streek is en misschien steeds gaan huilen als hij niet wordt vastgehouden; en meer nog als het bedtijd is. Hij kan triest en gelaten worden, zonder interesse voor zijn omgeving. ContinuÔteit en samenhang in de vervangende ouderzorg kunnen hem helpen.

Als deze kinderen ouder worden kan het heel lastig zijn dat zij geen levende herinnering hebben aan de overledene.
 
Tussen 2 en 4 jaar ontwikkelt zich het idee dat de dood omkeerbaar is; blijven leven onder gewijzigde omstandigheden. Dood is voor de magisch denkende peuter en kleuter als een verre reis of een diepe slaap. De dood kan soms worden opgevat als afwijzing of verlating, wat we ook in andere leeftijden terug zien komen. Het kind zal de ontbrekende ouder zoeken en dezelfde vragen steeds opnieuw stellen, nog niet eens zozeer omdat het kind het verhaal niet heeft begrepen, maar om te checken of het verhaal nog hetzelfde is. Het kind hoopt dat het een ďboze droomĒ is waaruit het spoedig zal ontwaken. De woede van het kind kan worden geuit in driftbuien en agressief en destructief gedrag.
Het kind heeft dan vaak lichamelijk contact nodig.

 

Tot ongeveer het 6e jaar begrijpt het kind de opeenvolging en de duur van de tijd niet. De dood ervaart het kind als discontinue en tijdelijk, omkeerbaar en persoonlijk onontkoombaar.
Vanaf 5-6 jaar begint geleidelijk een cognitief begrip van de dood te ontstaan. Ook gaat het kind de dood als een persoon zien en krijgt het interesse in van alles wat met het dode lichaam te maken heeft. Opa in de kist wordt bevoeld, zijn ogen open gedaan om te kijken of opa ťcht niets meer ziet, zijn arm opgetild en losgelaten. Voor volwassenen vaak nare dingen om te zien, voor het kind noodzakelijk om begrip te krijgen van wat dood-zijn is.

Vanaf 6-7 jaar, in de periode van concreet denken, begint het kind de opeenvolging van tijd en de duur van de tijd te begrijpen en gaat het begrijpen dat de dood definitief is. Dit kan met angsten en fantasieŽn gepaard gaan.
Vanaf 8-9 jaar accepteert het kind over het algemeen dat de dood onherroepelijk en niet te vermijden is, en beseft dat het zelf ook dood zal gaan.

 

Het komt nogal eens voor dat een kind op latere leeftijd weer met dezelfde vragen komt, of opnieuw lijkt te gaan rouwen. Bij voorbeeld de vader van een kind van 4 overlijdt en als het kind 7 is begint hij opnieuw vragen te stellen en toont hij wederom onrustig en afwijkend gedrag. Dit heeft vaak te maken met het werkelijk gaan begrijpen wat dood-zijn is en daardoor als het ware opnieuw te kunnen gaan rouwen.

 

Het kind in de adolescentie (puberteit) denkt na over de zin van het leven en vormt ideeŽn over een hiernamaals. De ontwikkelingstaken van de adolescentie kunnen het rouwproces beÔnvloeden.

Het kan gebeuren dat het niet goed lukt de rouw te verwerken. Als het kind volwassen is komt dit vaak naar boven in de vorm van depressieve symptomen of in een onvermogen om hechte relaties aan te gaan.

 

Een onderscheid tussen een klinische depressie en het verdriet van de rouw is: Als men meerdere weken geen interesse in dingen heeft en geen plezier kan maken. Rouwenden kunnen nog wel plezier ervaren, plezier om een nieuwe liefde, of plezier bij het uitgaan bij voorbeeld. Een depressief iemand heeft niet meer de vaardigheid om blij op een gebeurtenis te reageren. Ze hebben geen plezier meer, kunnen zich niet meer concentreren en daardoor verliest het leven aan waarde en doel. De depressieven worden hopeloos, voelen zich waardeloos, hebben het idee dat ze niet kunnen worden geholpen en verliezen moraal.

 

Bezig zijn volwassen te worden en op eigen benen te staan is moeilijk genoeg, en de adolescent zal worden verscheurd tussen dit proces en het gevoel de overleden ouder nodig te hebben zoals toen hij een kind was.

De relatie was misschien heftig voordat het overlijden tussenbeide kwam, en schuldgevoelens dat zijn gedrag misschien heeft bijgedragen aan het overlijden kunnen zijn gevoel van verlies gecompliceerd maken.

De adolescent loopt rond met gevoelens van onzekerheid over de eigen identiteit, de zin en het doel van het leven. De adolescent rouwt als een volwassene. Karakteristiek voor de ontwikkeling in deze leeftijdsfase is dat jongeren zich continu geobserveerd voelen door anderen. Doordat ze rekening houden met de (vermeende) ogen van anderen, houdt dit de normale uitingen tegen.

 

Praktijk voor verliesverwerking